Tussen Compiègne en Roubaix liggen 259 kilometer. Niets bijzonders denkt u. Tenzij u 52,9 km kasseien in het traject smokkelt. En u legt die kasseien daar niet zomaar, nee, u smijt ze willekeurig midden omgeploegde velden (of in een bos dat Wallers-Arenberg heet). U kijkt niet op een putje, een plas, spleten van 5 cm, wat gras op de rug en messcherpe kiezels. En om het allemaal nog wat te kruiden, laat u er één keer per jaar, ergens in april, een peloton wielrenners overheen dokkeren.
Het resultaat? Een heroïsche wielerwedstrijd, waarin (haast) steeds de sterkste wint. Een wielerwedstrijd waarin de echte mannen van de broekjes gescheiden worden. Een wielerwedstrijd waar zelfs de allerlaatste coureur, puffend, zwoegend en vloekend op die verdomde stenen, even hard wordt aangemoedigd als de winnaar. Een wielerwedstrijd waar topfavorieten sneuvelen door lekke banden, valpartijen of Vlaamse leeuwenvlaggen in het wiel. Parijs-Roubaix. De Hel van het Noorden.















Technische update: alle bovenstaande beelden zijn gemaakt met m’n ouwe getrouwe Nikon D70 + Tamron 17-50 2.8. In de loop van de week volgen nog wat meer beelden, al dan niet met wat meer “sportgehalte”.